sponsors

Presentatie koppel 5: Woekering

LAB de Verstedelijking, Rotterdam
Frank Havermans & Lola Landscape Architects
Week 5     19-07 / 25-07-2010
‘WOEKERING’


Tekst; Frank Havermans

Overweging en inhoudelijke onderbouwing.

Als eerste hebben we maandag het gebied en wat er tot dan toe aan stedelijkheid was ontwikkeld op ons in laten werken. Los van een uitspraak te doen over de inhoudelijke argumenten die ten grondslag liggen van de ons voorgaande koppels, viel ons een aantal zaken op;

– We konden nog geen eenheid in de stad ontdekken, en het zag er daardoor rommelig en versnipperd uit.

– Opvallend veel groen voor een gebied/project dat over verstedelijking gaat. Verder is het landschap een restgebied. Over het grootste deel is nog geen uitspraak gedaan.

– Meest opvallend en prominent was de stadsrand. Die wel erg lijkt op bestaande periferieën bij bijna alle steden.

-Conflicten zijn vermeden, waardoor er een harmoniemodel lijkt te worden nagestreefd, een ideale wereld waarin alles gescheiden van elkaar bestaat. Er was nog voldoende plek om elke keer op een nieuwe locatie een nieuw concept te ontwikkelen dat naast de anderen kon bestaan. Frictie tussen verschillende zienswijzen was er daardoor nauwelijks.

– Na een simpele analyse, opmeten en tellen, is het gebied eigenlijk helemaal niet zo groot. Ook wonen er voor een stad nog zeer weinig mensen. Er is sprake van een stedelijk gebied van 34 ha ofwel 3,4 km2. Op basis van de bestaande bebouwing zouden er tussen de 12.000 en 20.000 mensen kunnen wonen. Dit loopt in de pas met de bebouwing in onze bestaande Randstad waar gemiddeld zo’n 4.650 mensen per km2 (zonder groene hart) wonen. In onze stad zouden dus volgens dit model ± 15.000 mensen kunnen wonen. In vergelijking hebben we het dan niet over grote stedelijk gebieden als Amsterdam en Rotterdam. Eigenlijk is ons gebied meer een dorp te vergelijken met Noordwijkerhout, Oirschot, Ommen, Pekela, St. Oedenrode of Schijndel.  Dit gegeven dat het om een dorp gaat en niet om een urbane stad was verbazingwekkend.

Wij zijn de 5e of eigenlijk de 6e (als je de bouw van het 1e dorp meeneemt) generatie die zich met het gebied bezighoudt. Dit alles constaterende vonden we dat het gebied zowel op landschappelijk als op stedelijk/bebouwd niveau grootschaligheid ontwikkeld moest worden. Er moest samenhang komen in het onderliggende landschap en in de bebouwing. Verder is het een bewuste keuze geweest om het harmoniemodel te verwisselen voor het conflictmodel. Interessante stedelijke gebieden zijn vooral de gebieden waar het schuurt en wringt. Daar waar bewoners, bebouwing, infrastructuur, industrie, natuur, cultuur en handel elkaar bevechten om de beschikbare ruimte, daar wordt het interessant. Dat trekt ook mensen aan. In Nederland heeft dit proces slechts beperkt plaatsgevonden, omdat er altijd genoeg ruimte was om nog een weiland vol te bouwen. Of desnoods nieuw land te maken. Er zijn nooit keuzes gemaakt om echt grote stedelijke agglomeraties te laten ontstaan. Wel is er natuurlijk verstedelijking, in hoge mate, maar uitgemeerd over een groot gebied en erg onduidelijk. Zoals de Randstad en “Brabantstad’. Maar dit zou je een verstedelijking vanuit onverschilligheid kunnen noemen.

In onze aanpak willen we deze duidelijkheid wel scheppen. De uitgesmeerde bebouwing en het opportune landschap waar deze deel van uitmaakt is door middel van grootschalige ingrepen gestructureerd. Er is een keuze gemaakt om het toevallige landschap te vervangen door een overwoekerend landschap dat alle elementen aan elkaar verbind. Uit het toxisch uitziende blauw zal een landschap ontstaan waarin gepleit wordt voor een mindere mate van beheersing zoals heden ten dage wordt toegepast. Een landschap is tegenwoordig voor ieder wat wils. Met als hoofddoel pleasen hoopt iedere gemeente zoveel mogelijk recreanten en daardoor geld aan te trekken. Het landschap is dus per definitie dienend aan de stadsbewoner. Hier heeft een verandering plaatsgevonden. Niet dat het agrarisch landschap zoals wij dat kenden niet dienend is aan de stedeling, want dat was vroeger ook als zo met de productie van voedsel. Het landschap verwordt tot een grote tuin waar eenieder mag spelen. Of het nu om wandelaars en fietser gaat of om natuurorganisaties die hun eigen vlinder of vogelhoekje mogen inrichten. Het blijft toch tuinieren op grote schaal waar nooit de belangen van de natuur zelf voorop staan en waar alles fijn moet zijn.  Met de keuze voor een grootschalig geconstrueerd landschap wordt in dit project afstand gedaan van dit principe. Door te kiezen voor een woekerlandschap neemt de natuur zelf het gebied weer over de mens wordt op fysiek niveau buitengesloten.

Boven dit woekerlandschap ontstaat een zwevend stadschap. Gekozen is om vanuit de bestaande infrastructuur en bebouwing een stedelijke structuur te laten groeien. Een woekerstad die langzaam bezit neemt van het bestaande en weinig respect heeft voor oude overwegingen. Zoals het in steden altijd gaat is er een permanent gevecht gaande om de ruimte. Financiële en politieke belangen zijn de sturende kracht achter dit proces. Verder zijn alle mensen en activiteiten die in de stad plaatsvinden ook sturende krachten. Alleen al deze processen tezamen zijn onduidelijk, zeker op lange termijn gezien heeft niemand echt grip op processen van verstedelijking. Het lijkt een oncontroleerbaar proces. In onze stad lijkt zich een soort van Eindhoven variant te ontwikkelen. Daar zijn een aantal dorpen zoals Woensel, Stratum, Tongelre etc onder bezielende leiding van Phillips en DAF samengeklonterd tot een stedelijke agglomeratie van 250.000 mensen. Ook in onze stad lijkt zich een vergelijkbaar proces zich te voltrekken. De structuur trekt al woekerend bouwende over de bestaande nederzettingen en slokt deze op. Het geeft een verbindende structuur aan het geheel zwevend boven het woekerlandschap. Met name erboven omdat het niet handig om je te vestigen in een landschap waar de natuur nietsontziend is. Het duidelijk keuze maken voor waar en vooral waar niet te bouwen in het landschap mag als kritiek worden beschouwd hoe wij in Nederland de afgelopen decennia zijn omgesprongen met de ruimtelijke problematiek. Vaak is grootschalig gebouwd op de meest onlogische plekken zoals uiterwaarden en andere plekken die onder water kunnen lopen. Er was geen besef van de ondergrond. Dit besef van waar en hoe je daar moet bouwen moet weer deel gaan uitmaken van het ruimtevraagstuk. Kortom er moeten keuzes gemaakt worden.

Wat de toekomst brengt is nog onduidelijk, maar zowel het verstedelijkte als het landschappelijke hebben de potentie zich verder te ontwikkelen tot nog megalomaan schaalniveau. Of zal er een andere richting worden gevonden. Het antwoord is zoals altijd aan weer een volgende generatie, die weer andere keuzes zal maken. Niemand weet wat er precies in het verleden is gebeurd, en niemand weet wat er in de toekomst zal gebeuren. En dat maakt de stad tot een dergelijk fantastisch fenomeen.